kind tot 12 jaar > jij > jijzelf

Als je ziek bent of je lijf werkt niet helemaal goed, dan moet je misschien ook dingen doen, die andere kinderen niet hoeven. Naar het ziekenhuis gaan bijvoorbeeld, pillen slikken of oefeningen doen voor je spieren. Het kan best zijn dat je allerlei vragen hebt. Of dat je vindt dat ze ook eens naar jou moeten luisteren. Hier vind je tips die je kunnen helpen.

  • Weet jij hoe jouw ziekte heet? En waarom je naar het ziekenhuis moet of medicijnen nodig hebt? Je vader en moeder kunnen je vast vertellen wat zij weten over jouw ziekte en waarom je die behandelingen nodig hebt. Er zijn ook goede websites voor kinderen waar je van alles kunt vinden. Kijk samen met je vader en moeder naar zo’n site. Zij kunnen je precies vertellen of de informatie ook echt bij jouw ziekte past. Veel kinderziekenhuizen hebben een speciale site gemaakt voor kinderen. Je kunt ook samen kijken op www.keikiz.tv. Daar kun je interessante filmpjes vinden over allerlei ziektes.
     

  • Je kunt natuurlijk ook vragen stellen aan de dokter of de zuster die jou goed kent. Er is ook veel te vinden in folders, op websites en op de kinderafdeling van het ziekenhuis. Let dan wel op dat de informatie dan ook écht over kinderen gaat. Want voor kinderen zijn dingen soms heel anders dan voor grote mensen.
     

  • Kinderen tot 12 jaar mogen niet zelf beslissen of zij een behandeling willen of niet (denk aan bijvoorbeeld medicijnen innemen, sondevoeding of fysiotherapie). Dat doen je vader en moeder. De dokter en de verpleegkundige moeten wel vertellen wat ze bij jou gaan doen. Jij mag weten wat er met je aan de hand is en wat er met je gaat gebeuren. Je mag alle vragen stellen die je hebt. En bedenk: domme vragen bestaan niet!
     

  • Weten welke ziekte je hebt wil nog niet zeggen dat je er goed mee om kunt gaan. Iedereen doet dat op zijn of haar eigen manier. Kijk hier maar eens wat het beste bij jou past. En als je je niet fijn voelt, kun je eens proberen om het op een andere manier te doen.
     

  • A: ‘Alles wat ik niet begrijp vraag ik aan mijn vader en moeder of aan de dokter. Ik probeer maar gewoon te denken dat er nog heel veel dingen zijn die ik wel kan. En de medicijnen die ik nodig heb, heb ik echt nodig. Als ik die niet neem, weet ik zeker dat het niet goed met me gaat.’

  • B: ‘Ik probeer zo min mogelijk aan mijn ziekte te denken. Ik ga gewoon allemaal leuke dingen doen. Als me iets niet lukt, word ik boos of verdrietig. Maar dan probeer ik meteen iets te doen, zodat ik me beter voel.’

  • C: ‘Ik wil eigenlijk zo min mogelijk weten over wat mijn ziekte is en hoe het verder gaat. Als ik er over nadenk wordt het toch niet beter. Ik vind het echt rot om naar de dokter te gaan. Die gaat dan weer allerlei vragen aan mij stellen en daar heb ik geen zin in.’

  • D: ‘als ik me niet fijn voel, verdrietig of boos of bang voor wat er gaat gebeuren, dan praat ik hierover met mijn vader en moeder en met vriend(inn)en. Dat helpt me wel, dan heb ik het gevoel dat ik het niet alleen hoef te doen.’
     

  • Bang zijn voor een afspraak met de dokter of voor een prik is heel normaal. Als je bang bent, betekent het dat je lijf extra oplet wat er gebeurt. Dan kan het helpen als je bijvoorbeeld al weet hoe de dokter eruit ziet, en of je die dag geprikt wordt. Praat er eens over met je vader en moeder en vraag of zij alvast iets kunnen vertellen over wat er gaat gebeuren.
     

  • Als je afspraken met de dokter spannend vindt, kan het ook helpen om op een kalender op te schrijven wanneer je een afspraak hebt met de dokter of is en wat er dan gebeurt.
     

  • In veel ziekenhuizen krijgen zieke kinderen een Pijnpaspoort. Daarin kun je zelf aangeven wat jou helpt als je bang bent of als je pijn hebt. Vind jij het fijn om af te tellen als je een prik krijgt? Of juist niet? Wil je je knuffel bij je op schoot als de dokter naar je hart luistert? Of liever bij mama op schoot? Voor de dokter en de verpleegkundige is het ook fijn om te weten dat jij dit graag zo wilt.

  • Hoe vrolijk en dapper je misschien ook bent, ieder kind wil het liefst dat de ziekte weggaat. En dan is het heel normaal als je ook wel eens boos of verdrietig bent. Het is ook niet gemakkelijk om een lijf te hebben dat niet zo goed werkt als bij andere kinderen. Wie begrijpt jou het beste als jij je niet fijn voelt?

  • Soms kan het lijken alsof iedereen alleen jouw ziekte ziet in plaats van jou.  Laat iedereen dan maar eens zien wie je bent. Maak een ‘Dit Ben Ik poster’. Teken jezelf op een groot vel papier en schrijf daar omheen allemaal woorden die bij jou passen en dingen die jij goed kunt. Vraag aan je vader en moeder, vrienden en klasgenoten om er ook iets bij te schrijven waar jij goed in bent. Gebruik kleuren die bij jou passen. Zoek dan een plekje uit waar je de poster op kunt hangen zodat iedereen het kan zien.
     

  • Misschien kun jij minder dingen zelf doen dan andere kinderen. Aankleden bijvoorbeeld, eten of naar school gaan. Soms krijg je medicijnen of je wordt ingesmeerd met zalf. Daar is niets aan te doen, maar  je kunt wel bedenken hoe je wilt dat dat bij jou gebeurt. Je kunt vragen of je bijvoorbeeld je pillen zelf mag innemen, of met een hapje appelmoes of yoghurt. En misschien mag je de beweegoefeningen wel doen met een koptelefoon met muziek op. Bespreek het maar eens met je vader en moeder.
     

  • Het kan zijn dat je je soms zorgen maakt of je ziekte nog ooit overgaat en of je er misschien wel aan dood kunt gaan. Het is niet altijd gemakkelijk om die vragen aan je vader en moeder te stellen. Kinderen vertellen vaak dat ze bang zijn om hun vader en moeder verdrietig te maken. Het kan helpen om er toch met iemand over te praten. Misschien vind je het gemakkelijker om met je oma of opa of met je juf of meester te praten. Dat mag ook. Als je maar niet blijft zitten met je zorgen en vragen.
     

In het 'hou me vast'-doosje zit een dagboek. Hierin kan je van alles opschrijven: over hoe jij je voelt, wat je leuk vindt, over je huisdier en nog heel veel meer. Kijk er maar eens in.